Elke dag wordt ik wakker in het besef geluk te hebben gehad. Geboren in Nederland in 1945 heb ik een respectabele leeftijd bereikt zonder me te hoeven weren tegen oorlog, armoe, genocide, pandemie. En in de afgelopen 55 jaar heb ik de kans gekregen om kennis te verwerven en uit te dragen over hoe het recht en de informatiesamenleving in feite vergroeid zijn en door zijn blijven groeien.

Na zijn ontdekking van de mens als favoriete gastheer heeft COVID-19 ons er binnen vier maanden aan herinnerd hoe cruciaal jurisdicties zijn voor de verdediging tegen complexe, genetwerkte, adaptieve en grensoverschrijdende risico’s. Ook rechtspersonen hebben jurisdicties die hen tegen deze risico’s moeten wapenen.

Ze roepen nieuwe vragen op, heel vaak met een mengsel van juridische, economische, technische en morele aspecten. Wie bijvoorbeeld verantwoordelijk te houden voor de situatie waarin een arts uit capaciteitsgebrek moet kiezen tussen twee patiënten met de dood van de ander tot gevolg? De arts? De ziekenhuisbestuurder? De zorgverzekeraar? De politiek? De patiënt? Wie de anderhalve-meter regel negeert? De wetenschap? Niemand?

We zijn terechtgekomen in een wereld waarin we sommige van de antwoorden over recht en rechtszekerheid moeten herontdekken, in het grote en in het kleine. Dit besef is aangeslagen bij experts uit verschillende disciplines die zich hebben gericht op het ontwerpen en combineren van formele modellen met (ik doe dit in het Engels)  Euler’s method, Bayesian probability and its Markov chain Monte Carlo methods, small-world network theories and agent-based modeling. Maar er is hier een probleem. Deze methoden zijn ontwikkeld door en voor specialisten die elkaar doorgaans op de meest onverwachte momenten principieel gaan tegenspreken als het om toepassingen gaat.

Het is mijn ervaring dat het toepassen van de gedachten die in die formele theorieën zijn gebakken heel goed kunnen worden vertaald naar begrijpelijke taal en begrijpelijke mechanismen – die echter al heel snel zo in elkaar gaan grijpen dat het nuttig wordt hun werking na te bootsen en te bestuderen vanuit verschillende startposities.

Het is ook mijn ervaring dat het voor opdrachtgevers waardevol kan zijn te denken en te sparren over hoe hun voornemens zullen uitwerken via de omzetting van hun plannen in mechanismen waarvan een simpele PC kan laten zien hoe ze onder verschillende condities werken.

Dat sparren en omzetten noem ik denktank-diensten. Ik neem via en met SCHMDT advocatuur graag deel aan projecten die de strategische vragen van nu met behulp van denktank-diensten onder ogen zien. Ik noem een paar voorbeelden van projecten waaraan we een zinnige bijdrage (zouden hebben) kunnen leveren:

  • Het ontwikkelen en implementeren van hybride (deels online, deels offline) bedrijfsmodellen voor onderwijs- en culturele instellingen, en voor de middenstand en voor samenwerkende professionals. Een beeld van de achterliggende samenhang gaf ik in twee presentaties, van oktober en van november 2019)
  • KEI is het digitaliseringsproject van de Nederlandse Raad voor de Rechtspraak dat jammerlijk mislukte in april 2018 (ik gebruikte het als voorbeeld in een vrij technisch artikel dat ik met een Chinese collega schreef).
  • e-CODEX is het ambitieuze project uit dat de EU in 2010 begon met als doel een dienst in het leven te roepen die de grensoverschrijdende juridisch-professionele gegevensuitwisseling ondersteunt. De dienst bestaat, maar het gebruik ervan blijft achter. Daarover schreef ik in 2018 een verhandeling die ook enkele van de achterliggende aspecten van onze aanpak laat zien.

Mijn denktank-diensten lever ik samen met met SCHMDT advocatuur. Opdrachten komen in overleg tot stand, waarbij oog is voor hoe ze in het hele project passen en waarbij wordt besproken of een verder beroep zal worden gedaan op ons netwerk (waarbij onze relaties met professionals in Oostenrijk en China een bijzondere meerwaarde kunnen hebben).